Ik sliep vroeger weken met het vuurwerkkrantje onder mijn kussen. Met een budget van 25 gulden was het moeilijk kiezen. Uiteindelijk wist ik het, ik wilde zoveel mogelijk knallen, dus ik kocht sloffen astronauten. Tweehonderd stuks per slof. Tien naast elkaar in zo’n pakje in rood vloeipapier. De geur van zo’n astronaut als ie aangaat en ontploft vind ik nog steeds heerlijk. En dan zo’n lekkere felle knal. Liefst in een rioolputje gooien. Boem.

Mijn vriend Abe’s opa was boer en kunstenaar. Hij gaf ons een boekje; Mengen en Roeren heette dat. “Populaire chemische recepten voor iedereen”.  Wij hadden natuurlijk niks met moffellak, huidcreme, afbijtmiddelen en galvaniseeren. Dus doorbladeren naar hoofdstuk XVIII, getiteld Vuurwerk Maken.

Verslonden hebben we dat hoofdstuk. We droomden weg bij de titels : Pharaoh Slangen, Blauw Bengaalsch Vuurwerk en Rookeloos Bliksemschicht Poeder. En dan die instructies :
Men lost 64 dl mercurinitraat in water op en hiernaast 36 dl kaliumthiocynaat. Het neerslag wordt driemaal met gedestilleerd water uitgewasschen”.
We konden er natuurlijk niks mee, maar de gedachte dat we hier iets in handen hadden waarmee we ons eigen vuurwerk konden maken. Dat vonden we prachtig.

 

Een paar jaar geleden werd me gevraagd: wat wilde je worden als kind?

Vuurwerkmaker zei ik.

Ik zei het in een flits, had het woord al 20 jaar niet meer uitgesproken. Ik schrok er zelf een beetje van. Had er nooit meer bij stilgestaan.

In dat ene woord zit een boel informatie over wie ik ben. Vuurwerkmaker. Over waar ik naar verlang. En wat ik heb gemist. In mijn coachingssessies werk ik vaak met het woord verlangen. Ik vind dat mooi. Er gaat iets voorwaarts vanuit. Een onderstroom die sterker is dan blokkades, gedachten en jamaars.

Vuurwerk is zichtbaar, groots, hoog in de lucht, het explodeert, flitst. Er wordt iets gevierd. Maar waar is de maker? Vaak niet eens aanwezig bij het afsteken. Hij trekt zich terug in zijn schuurtje, voelt zich daar fijn en is bezig met hoe hij een volgende creatie kan maken.

Mensen die mij van dichtbij kennen weten dat ik zeer zichtbaar kan zijn, een duidelijke mening kan hebben. Ik vind iets van dingen. Ik schrijf ze op. En soms zet ik ze zelfs op internet.  Tegelijkertijd ben ik, als je dichtbij komt opeens niet meer zo heel aanwezig. Trek ik me terug. Veilig de natuur in bijvoorbeeld. Zet me op een feest met mensen die ik niet ken, en er blijft weinig van mijn zichtbaarheid over.

Ik hou van dingen met kracht, intensiteit. De koude zee ingaan, de bergen in, een sterk verlangen om de grootsheid van de natuur ervaren. De aarde, het heelal. Waar bevinden we ons? Waar gaat het over?

Dat verlangen om een grotere intensiteit te ervaren kon ik niet zo goed kwijt vroeger. Competitie leent zich goed als vehikel om die intensiteit in te gooien. Ik werd een zwaar fanatieke en venijnig vuile voetballer. Ik werd een beest, alles moest wijken voor de overwinning. Het was effectief maar destructief. De lol werd weggedrukt, zowel bij mezelf als de tegenstanders. Buiten het veld kon die destructie zich uiten als cynisme.  Een cynisch bommetje ergens op gooien was iets dat ik vaak deed. Wederom krachtig, ontregelend, explosief maar ook destructief.

Inmiddels gebruik ik die kracht, en dat verlangen aangesloten te zijn op die grotere stroom om muurtjes te doorbreken bij een cliënt die vastzit in een status quo. Doorbraken maken samen met iemand. Dat voelt beter. Kracht is steeds meer overgave geworden. De overgave in dat ik het niet weet, maar om vanuit daar samen toch dat leven in te stappen..”Stepping curiously into the unknown” zoals mijn leraar in Engeland dat verwoordde.

 

Op Texel waar ik geboren en opgegroeid zag ik slechts twee vehikels om die intensiteit en diepgang in te gieten: sport en school. Ik kwam niet in aanraking met kunst, dans, religie, of andere manieren van expressie.

Op school miste ik de verdieping. Weinig leraren zagen de jongen achter het masker. Ik was constant bommen aan het gooien. Aan het klooien, en ondergraven,. Een enkeling zag het wel: dit is een jongen die gezien wil worden. Die uitdaging nodig heeft en wil leren over zichzelf en anderen.

Ik vond de verdieping uiteindelijk zelf. In golf. Samen met vriend Jan groeiden we naar landelijk topniveau als amateurs. Nooit gepusht en altijd vanuit onze eigen drang, en liefde voor het spel. Terugkijkend zie ik een jongen die vooral genoot van buiten zijn, en nieuwsgierig was naar de mysterie van het spel. Hoe kan ik het balletje laten doen wat mijn geest wil? Hoe verbind ik lichaam en geest? Trainen, beter worden, eindeloos tot donker toe balletjes in een netje slaan was prachtig. Daarnaast waren er wedstrijden, competitie. Die spanning, dat tegen elkaar spelen in plaats van met de natuur, ik vond dat niet zo interessant en was dus ook niet op mijn best in wedstrijden.

 

In mijn kinderwens zat misschien wel de wens zelf die vuurpijl te zijn in de lucht, die op zijn top krachtig uiteen klapt, en de oh’s en ahh’s van de toeschouwers hoort. Die z’n intensiteit kwijt kon op een positieve manier, en sámen met anderen.

Teruggaan naar wat je wilde worden als kind geeft een boel inzicht. Vaak komt er dan een verlangen op. Iets dat er nog steeds is. En geloof ik, er altijd zal zijn. Een vorm van ‘aangesloten’ zijn. In mijn geval: een kind dat wél de behoefte had aan intensiteit, maar geen vorm kon vinden die daarop aansloot. En dus ‘gekaapt’ werd door competitie en, later, cynisme en onverschilligheid.

Ik bedoel, ja, ik ben nu psycholoog, maar vooral omdat ik mijn verlangens kwijt kan in wat ik doe. Ik hou van de diepte en intensiteit van de gesprekken, en van de doorbraken die plaatsvinden. Maar ik zou ook een ander beroep kunnen kiezen waarin ik die dingen tegenkom.

 

In mijn coachingssessies werk ik vaak met het woord verlangen. Ik vind dat mooi. Er gaat iets voorwaarts vanuit. Een onderstroom die sterker is dan blokkades, gedachten en jamaars. Tegelijkertijd krijgen we ook inzicht in het gemis. Immers, dat waar je naar verlangt, komt vaak voort uit een gemis.

Het resultaat van je leven meer inrichten naar dat ‘oerverlangen’ is dat je op een volwassen manier weer speels kan zijn.

Je wordt weer meer dat kind dat lol heeft in wat ie doet.

Als stukje bij beetje het verlangen helder wordt gaat het bruisen. Langzaam ontstaat er ruimte.

En dan, als er contact met dat verlangen, voel je meteen polariteit. Plus en min. Noem het je potentie, je talent, whatever.

Je wordt er mee geboren, en je gaat ermee dood. Je hart stroomt er van over, en je zet het met alle plezier in de wereld. In welke vorm dan ook.

Je wordt een batterij die niet meer uitdooft.  Of zoals je wilt: een vuurpijl die altijd brandt.

 

Jaap

ps: vragen die je kunnen helpen:Wat wilde je worden als kind? Wat was denk je het gemis? En wat was denk je het verlangen?

ps2: op Netflix is een prachtige documentaire over de Chinese kunstenaar Cai Guo-Qiang. “Ik wil de aarde met het heelal verenigen” zegt Cai Guo-Qiang op een gegeven moment. En hij bouwt daarvoor een immense ladder van vuurwerk (zie foto boven artikel). De docu is gevuld met het prachtigste vuurwerk dat je ooit zult zien, en geeft een mooie inkijk in zijn geest, leven, en verhouding tot China.